Lorena Joosten (links) en Janne Landsman
Lorena Joosten (links) en Janne Landsman
Lorena Joosten (links) en Janne Landsman
Lorena Joosten (links) en Janne Landsman
Er zijn creatieve oplossingen nodig om de samenleving tijdens een langdurige stroomstoring draaiende te houden. Dat was de kernboodschap van de NIPV-kennisdag over dit thema, geleid door lector crisisbeheersing Menno van Duin. Overheden en vitale bedrijven moeten in hun preparatie uitgaan van de vraag: ‘Wat kunnen we nog wél?’ Lokale maatschappelijke netwerken moeten maximaal benut worden voor de hulp aan kwetsbaren.
Leren van de massale stroomuitval in Spanje en Portugal was het oogmerk van de kennisdag. Toch hebben we in Nederland ook ervaring met stroomuitval, waar we van kunnen leren. Janne Landsman van het NIPV en Lorena Joosten van de veiligheidsregio Kennemerland, wezen tijdens hun presentatie op twee Nederlandse voorbeelden.
In 2007 zaten in de Bommelerwaard 50.000 huishoudens 50 uur zonder stroom nadat een Apache helikopter van de luchtmacht een hoogspanningskabel had geraakt. Tien jaar later voltrok zich eenzelfde type incident in het Betuwse Zoelmond, waarbij 26.000 huishoudens het enkele uren zonder elektriciteit moesten stellen. Twee kanttekeningen: de aantallen getroffen mensen zijn relatief beperkt en geen van beide gebeurtenissen haalde de maatstaf van 72 uur verstoring waarop Nederland zich in lijn met de Denk vooruit-campagne op voorbereid. Op lokaal niveau waren de gevolgen voor de getroffen inwoners niettemin fors, maar de getroffen lokale gemeenschappen toonden een grote mate van veerkracht en samenredzaamheid.
Black-out in Catalonië
Qua omvang en impact was de grootschalige stroomuitval in Spanje en Portugal op 28 april vorig jaar een flink maatje groter. Cristina Vicente Moreno, hoofd operaties van het Directoraat-Generaal Civiele Bescherming in Catalonië, besprak tijdens het symposium de situatie in de Oost-Spaanse kustregio rond Barcelona. Zij schetste aan de hand van een tijdlijn hoe de samenleving in de eerste uren steeds verder ontwricht raakte en hoe de Catalaanse crisisorganisatie opschaalde.
De coördinatie van de crisisbeheersing bleek een uitdaging, vooral op het gebied van communicatie. De twee regionale crisiscentra in Barcelona en Taragona, die elkaars back-up waren, hadden noodstroom, zodat de eigen informatiesystemen bleven werken. Maar telefonisch contact met gemeenten en andere regio’s bleek na het eerste half uur niet of nauwelijks meer mogelijk. Door de uitval van de telefonienetwerken was het voor de overheid niet meer mogelijk informatieberichten aan burgers te versturen via ES-Alert, de Spaanse variant van ons NL-Alert. De enige manier om burgers te bereiken was via de radio, althans burgers die beschikten over een radio op batterijen. Het ministerie van Gezondheid, dat probeerde vast te stellen hoe het stond met de continuïteit van de zorg, kon niet in contact komen met de ziekenhuizen om te informeren naar de situatie van kwetsbare patiënten daar. Op regionaal niveau werden thuiswonende kwetsbare chronisch zieken die ‘in beeld’ waren, overgebracht naar ziekenhuizen.
Noodcommunicatie
Een communicatievoorziening die wel werkte, was het Spaanse digitale mobilofonienetwerk voor de hulpdiensten. Dat bood deels een alternatief voor de uitgevallen telefonie. De 900 Catalaanse gemeenten en een aantal vitale bedrijfstakken hadden vijf jaar geleden toegang tot dit overheidsradionet gekregen, juist om de communicatie in noodsituaties te verzekeren. Echter, veel gemeenten waren zich er onvoldoende van bewust dat zij dat radionetwerk konden gebruiken.
Een geleerde les: bewustzijn over het gebruik van het radionet door gemeentelijke overheden moet worden bevorderd en een breder spectrum van overheidsdiensten en vitale bedrijfstakken moet toegang krijgen tot het net. Daaronder zijn ook de elektriciteitsbedrijven, die tijdens deze crisis aan zet waren om de energievoorziening te herstellen, maar die ook grote problemen ervoeren met hun communicatie. Het crisiscentrum van de Civiele Bescherming zag het ondersteunen van de elektriciteitsbedrijven als een van haar taken en leende daarom 150 mobilofoons uit aan elektriciteitsbedrijven.
Seveso-bedrijven
Onder de vitale sectoren die gebruik mogen maken van het Spaanse Tetra-radionet zijn ook meerdere Seveso-bedrijven, chemische inrichtingen van de hoogste risicocategorie. Daar hadden de Spaanse crisisteams extra aandacht voor, omdat stroomuitval in die bedrijfstak bij het falen van noodvoorzieningen in het ergste geval kan leiden tot escalatie en fysieke rampen. Chemische processen kunnen dan immers ontregeld raken.
Cristina Vicente Moreno: “We hebben continu in contact gestaan met een aantal grote Seveso-industrieën in onze regio, om vast te stellen of hun noodprocedures en noodsystemen goed functioneerden. Dat bleek gelukkig het geval. Maar die noodprocedures hadden op zichzelf ook weer een effect, waardoor er extra onrust ontstond bij de omwonenden van die bedrijven.
De chemische industrie kent voor dit soort scenario’s een ‘safety-shutdown’, waarbij installaties worden stilgelegd. Chemische producten die nog in de leidingen en reactoren aanwezig zijn, moeten dan via ‘affakkelen’ worden verbrand. Dat leidt tot enorme vlammen en zwarte rookwolken uit de schoorstenen. We moesten de burgers informeren over het feit dat die verschijnselen het gevolg waren van veiligheidsprocedures en zo onnodige onrust wegnemen. Het managen van onrust en onzekerheid bij de bevolking, als gevolg van de moeilijkheden in de communicatie, was onze grootste zorg en de lastigste opgave bij deze crisis.”
Lokale kracht en creativiteit
Wat is óns handelingsperspectief bij een langdurige stroomuitval en wat valt er te leren van de lessen van de Iberische stroomcrisis? In een gesprek met lector Menno van Duin gaf Marianne Schuurmans, burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer en bestuursvoorzitter van de veiligheidsregio Kennemerland, een bestuurlijke reflectie. Haar oproep in een notendop: communicatie is essentieel, dus wees creatief in het zoeken naar alternatieve communicatievormen. Maak bovendien maximaal gebruik van de kracht van lokale maatschappelijke netwerken en burgerinitiatieven, want er zit meer veerkracht in de samenleving dan we geneigd zijn te denken.
Schuurmans: “We zijn in Nederland gewend aan onze uitstekende communicatie- en informatie-infrastructuur, maar ook aan een crisisbeheersingsstelsel dat de burgers lange tijd veel zorgen uit handen heeft genomen. Bij een crisis van deze omvang komen we in een andere werkelijkheid waarin de overheid niet alles meer kan regelen. Mensen moeten nu zelf gaan nadenken over hoe zij zichzelf enkele dagen kunnen redden. En dat kunnen ze heel goed, merken we in de gesprekken met inwoners in de kernen van onze gemeenten. We zien daar soms hele goede initiatieven en creatieve oplossingen voor zelf- en samenredzaamheid.”
Groene en rode handen
Een mooi voorbeeld dat de burgemeester noemt is het dorp Abbenes in haar gemeente. Deze gemeenschap met circa 1.100 inwoners heeft zelf een praktische systematiek bedacht om de zelf- en samenredzaamheid en de zorg voor kwetsbare inwoners te organiseren. Zij kunnen een papieren gekleurde hand voor hun raam plakken. Groen betekent: ‘Wij redden het zelf wel’. Rood beduidt: ‘Kwetsbaar en hulp nodig’. Dit is een praktische oplossing voor mensen die een hulp- of zorgvraag hebben en die niet de deur uit kunnen, als er ook geen andere vormen van communicatie zijn.
Zo ziet Schuurmans meer voorbeelden in de lokale gemeenschappen, waar mensen zelf noodsteunpunten organiseren rond herkenbare plekken, zoals buurthuizen en kerken. “Dergelijke ideeën moeten we als overheid stimuleren en faciliteren, want initiatieven van burgers zijn vaak beter dan oplossingen die we als overheid bedenken. Hiermee geven we mensen weer een stuk eigen verantwoordelijkheid voor hun veiligheid terug.”
Zorgen
Er wordt, zowel door de overheid als door burgers en bedrijven al veel gedaan in de crisispreparatie voor een 72 uur durende black-out, stelt de burgemeester vast. Maar zij heeft nog wel een paar zorgen, mede naar aanleiding van de lessen van de Spaans-Portugese stroomcrisis, waarnaar haar eigen veiligheidsregio met het NIPV-onderzoek deed.
“Als overheid hebben we ook taken en verantwoordelijkheden, maar als het morgen gebeurt zijn we er nog niet klaar voor. Een van onze aandachtspunten is het in beeld brengen van thuiswonende kwetsbare inwoners met een zorgbehoefte. De GHOR werkt eraan om inzicht te krijgen in die populatie. Maar dat is lastig, want we weten niet van al die kwetsbare mensen wie ze zijn, waar ze wonen en wat ze nodig hebben. Dat geldt vooral voor mensen die uitsluitend via mantelzorg thuis worden verzorgd. Die zijn bij ons niet centraal geregistreerd.”
Onrust wegnemen
Over de communicatie en informatievoorziening bij een black-out zegt Schuurmans: “Daar zullen we echt creatief oplossingen voor moeten bedenken, want informatie is voor mensen een primaire behoefte. Door in noodsituaties die informatievoorziening goed te regelen, kunnen we veel maatschappelijke onrust wegnemen. Want als mensen geen informatie krijgen, gaan ze zelf dingen invullen en kan er verkeerde beeldvorming over de crisis ontstaan. We moeten dus alternatieven organiseren voor als alle publieke communicatiemiddelen uitvallen, voor de communicatie met de burgers, maar ook voor onze eigen communicatie binnen de overheid en de noodsteunpuntnetwerken.”
De burgemeester denkt onder andere aan zendamateurs. Als die radioapparatuur met accu’s hebben, kunnen die een belangrijke rol spelen in het doorgeven van berichten. “En als overheid hebben we, samen met regionale en lokale omroepen, natuurlijk ook het systeem van de ‘rampenzender’ bedacht, die bij een ramp of crisis het officiële informatiekanaal is om burgers te informeren. Nu komen we er echter achter dat die omroepen slechts voor korte duur over noodstroom beschikken om in de lucht te blijven. Daar moet dus ook in worden geïnvesteerd. Want als we mensen dringend oproepen om een noodradio op batterijen aan te schaffen, moeten we wel waarborgen dat ook die rampenzenders 72 uur in de lucht kunnen blijven. Ook hieruit blijkt dat we in ons land tot dusver vooral onze focus hebben gehad op relatief kortdurende crises en calamiteiten. De knop in ons denken moet nu echt om en we moeten de hele maatschappij prepareren op een crisis van minimaal 72 uur, ook onze rampenzenders.”