Interview

Peer Jetten en Jochem Lammersma (VWS) en Bernice den Bak (Defensie)

Peer Jetten en Jochem Lammersma (VWS) en Bernice den Bak (Defensie)

Maaike Tindemans
Tekst:
Maaike Tindemans
Verwachte leestijd: 6 min

Ministerie van VWS: ‘Weerbare zorg is een keten’

Tijdens een crisis, zoals een militair conflict, moeten we kunnen rekenen op een weerbare zorgketen. Wat doet het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om de zorg weerbaar te maken? Een interview met Jochem Lammersma en Peer Jetten (beiden beleidsmedewerker bij VWS) en Bernice den Bak (liaison van Defensie).

“Weerbare zorg is een keten. Er is op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau van alles nodig om de zorg weerbaar te maken”, zegt beleidsmedewerker Peer Jetten. “Ook als ministerie hebben we daar een verantwoordelijkheid in”, zegt zijn collega Jochem Lammersma. “Dat betekent onder andere dat we ervoor moeten zorgen dat de wet- en regelgeving op orde is. Ook zetten we ons in voor voldoende financiering en goede communicatie. Bovendien zie je dat we in deze fase een rol kunnen spelen als aanjager en verbinder tussen verschillende partijen vanuit het Rijk en het veld.”

Jochem Lammersma en Peer Jetten zijn beiden beleidsmedewerker van het ministerie van VWS. Zij werken binnen de programmadirectie Weerbare Zorg onder andere samen met luitenant-kolonel Bernice den Bak, liaison vanuit het ministerie van Defensie. “Bij een crisis, zoals een militair conflict, is het belangrijk dat militaire en civiele zorgpartners met elkaar samenwerken”, zegt ze. “Als liaison draag ik bij aan een goede verbinding op departementaal niveau.”

Jullie team bestaat nog maar een paar jaar. Hoe is dat ontstaan?
Jochem: “Ons team vindt zijn basis in het werk dat gedaan moest worden na de coronacrisis. Na deze crisis bleven er vraagstukken liggen die om een antwoord van het ministerie vroegen. Daarmee ging de programmadirectie nafase covid-19 toen aan de slag.

In dezelfde periode begon de situatie waarin Nederland steeds meer wordt geconfronteerd met allerlei dreigingen die ook onze gezondheid kunnen raken, bijvoorbeeld door de oorlog in Oekraïne. Daardoor kwamen we als ministerie voor nieuwe vraagstukken te staan rondom het thema ‘weerbare zorg’. Daarna is er besloten om de programmadirectie nafase covid-19 op te heffen en een nieuwe programmadirectie weerbare zorg op te richten.

We richten ons op weerbare zorg in de brede zin. We hebben daarbij een all hazard-benadering die dus niet uitsluitend op militaire dreigingen gericht is. Het uitgangspunt is om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. De voorbereiding op een militair conflict heeft op dit moment natuurlijk wel prioriteit.”

Hoe is de samenwerking met Defensie ontstaan?
Bernice: “Dat is in 2023 en 2024 bottom-up ontstaan. Door de toenemende militaire dreiging zochten proactieve individuen van beide ministeries de samenwerking op om het urgentiebesef aan te wakkeren. Tegelijkertijd werd er vanuit beide ministeries gewerkt aan het Landelijk Crisis Plan Militaire Dreigingen (LCP-MD).

In 2025 kwam er een behoeftestelling van het ministerie van Defensie aan het ministerie van VWS om de krijgsmacht civiele ondersteuning te bieden tijdens een grootschalig militair conflict. Daar was een intensievere interdepartementale samenwerking voor nodig. Dit valt binnen het bredere weerbaarheidsdossier waarover gecommuniceerd is in verschillende Kamerbrieven. Hier zijn afspraken over gemaakt in het hoofdlijnenakkoord van het toenmalige kabinet. De samenwerking die er al was, is toen structureler en formeler geworden.”

Waarom is de samenwerking tussen deze ministeries zo belangrijk?
Peer: “In de eerste plaats omdat de militaire dreiging veel van Defensie vraagt. Het is belangrijk dat de civiele zorgketen de krijgsmacht kan ondersteunen als dat moet, omdat dit hun slagkracht vergroot. In de tweede plaats omdat Defensie als doel heeft om te beschermen wat ons dierbaar is. De continuïteit van de zorg is een voorwaarde voor het functioneren van onze maatschappij. In de derde plaats omdat een militair conflict voor een verhoogde zorgvraag zorgt. Deze opgaves kunnen we alleen samen aan.”

Op welke onderwerpen richten jullie je?
“We werken op drie niveaus aan het thema Weerbare Zorg. Het eerste niveau is zelf- en samenredzaamheid. De zorg wordt ontlast als mensen zo lang mogelijk voor zichzelf of voor elkaar kunnen zorgen. Het tweede thema is basisnoodzorg. Dus hoe zorgen we ervoor dat de basiscrisisstructuren klaar staan om een crisis of incident op te vangen, bijvoorbeeld tijdens een pandemie? Het vraagt om een goede coördinatie om patiënten in geval van een hoge zorgvraag te kunnen spreiden.

Het derde niveau is de opschaalbare noodzorg. Dit komt in beeld als we door een crisis of conflict met vele grotere aantallen patiënten te maken krijgen. De zorg moet dan anders ingericht worden om deze aantallen aan te kunnen.”

Op welke thema’s richten jullie je?
“We hebben vijf prioritaire thema’s vastgesteld. Het eerste thema is zorgcapaciteit. Dus: hoe zorgen we tijdens een crisis voor voldoende medewerkers die over de juiste vaardigheden beschikken? Het tweede thema is medische voorraden. Dus: hoe zorgen we voor voldoende medische middelen, ook als de aanvoerlijnen haperen? Dat betekent bijvoorbeeld dat we genoeg kritieke medicijnen op voorraad moeten hebben. Het derde thema is ICT, data en faciliteiten. Het vierde thema is crisisbevoegdheden. Dus: zijn de crisisbevoegdheden zo ingericht dat we tijdens een crisis snel kunnen schakelen? Het vijfde thema is de civiel-militaire samenwerking.”

Jochem: “Dit betekent overigens niet dat we op al deze thema’s ook een directe rol hebben. Soms is onze taak vooral om initiatieven aan te jagen, of te coördineren. De zorg bestaat uit veel verschillende partijen, waardoor er ook al veel initiatief vanuit het veld is. Het is belangrijk dat de zorg ook zelf deze thema’s op kan pakken.

Peer: “Er zijn in de zorg al veel goede initiatieven in gang gezet. Wij haken daarop aan om te kijken hoe dat loopt en hoe we dit eventueel nog verder kunnen versterken.”

Wat hebben jullie concreet gedaan om de zorg te versterken?
Peer: “We zijn begin 2025 als programmadirectie begonnen met onze inzet om de zorg voor te bereiden op een crisis of conflict. Een deel van de zorgketen was bijvoorbeeld nog niet erg bewust bezig met de dreiging van een militair conflict. Daarom hebben we de afgelopen periode met veel partijen in het veld gesproken om hen mee te nemen in wat een crisis of conflict van hun zou vragen en welke stappen zij nu al kunnen nemen om zich voor te bereiden.

Daarnaast hebben we, samen met het ministerie van Defensie een aantal concrete projecten in gang gezet. Tijdens een militair conflict komt er bijvoorbeeld medisch personeel uit andere NAVO-landen naar Nederland toe. We hebben de mogelijkheden in de wet- en regelgeving onderzocht, zodat dit personeel ook in Nederland medische handelingen kan uitvoeren.

Minister Sophie Hermans heeft de Kamer geïnformeerd dat het kabinet structureel 177 miljoen euro beschikbaar stelt voor het Pakket Pandemische Paraatheid

Verder hebben wij ons ingezet voor de financiering van de meest kritieke crisiscapaciteiten van de zorg. Minister Hermans heeft de Tweede Kamer daar op 27 maart een brief over gestuurd. In deze brief informeert zij de Kamer dat het kabinet met het Pakket Pandemische Paraatheid structureel 177 miljoen euro beschikbaar stelt om versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg voort te zetten en bij te dragen aan het op orde brengen van de basisnoodzorg van Nederland.”

Bernice, het is jouw verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede verbinding. Welke verschillen merk je tussen beide ministeries?
“Het ministerie van VWS heeft een andere structuur en cultuur dan het ministerie van Defensie. Dat komt onder andere doordat Defensie een uitvoerend ministerie is, waarbij de militair geneeskundige dienst in eigen beheer is: van beleid tot uitvoering. Dat zorgt ervoor dat je elkaar kent en dat je op beleidsniveau veel met mensen samenwerkt die ook een rol in de uitvoering hebben (gehad). Dat geeft veel diversiteit aan de teams. Hun operationele ervaring en kennis wordt ingebracht binnen het beleidsteam.

‘De ministeries zitten qua structuur heel anders in elkaar’

Het ministerie van VWS zit qua structuur heel anders in elkaar. De zorg is geprivatiseerd en decentraal georganiseerd. Ook spelen er verschillende belangen op landelijk en regionaal niveau.

Ik merk dat het voor de samenwerking goed is om die verschillen te kennen. Daardoor spreek je elkaars taal en begrijp je elkaar beter. Dit draagt bij aan de onderlinge communicatie en het wederzijds vertrouwen.”

Op welke thema’s is die samenwerking belangrijk?
“Bij vrijwel alle crises die de gezondheid raken. Tijdens de coronacrisis heeft Defensie de civiele gezondheidszorg ondersteund. Nu, met de militaire dreiging, is het belangrijk dat de civiele partners Defensie kunnen ondersteunen. Tijdens de voorbereiding voor crises kunnen we veel van elkaar leren, bijvoorbeeld hoe je om gaat met mass casualty situaties.

Tijdens de coronacrisis heeft Defensie de civiele gezondheidszorg ondersteund

Ik merk bij de civiele partners dat de urgentie om je voor te bereiden op militaire en hybride dreigingen steeds meer doordringt. Wel zijn er nog onduidelijkheden over de aansluiting tussen militair en civiel. Tijdens een militair conflict komen er bijvoorbeeld gewonde militairen naar Nederland. Hoe zorg je ervoor dat zij op een goede manier worden overgedragen op de partners in de civiele keten?”

Wat zouden we kunnen doen om die samenwerking te verbeteren?
“Meer oefenen. We houden bijvoorbeeld jaarlijks oefeningen met onze NAVO-partners, zoals de internationale NAVO-oefening Casuality Move 2026 (CAMO26) in maart in Berlijn. We hebben toen samen met onze bondgenoten geoefend hoe we grote aantallen gewonde militairen snel en veilig van het front naar de ziekenhuizen in Europa konden vervoeren. Vanuit een reachbackcell in Zeist werd de internationale coördinatie gekoppeld aan de crisisorganisatie in Nederland.

Tijdens de internationale NAVO-oefening Casuality Move 2026 heeft Nederland met haar bondgenoten de spreiding van gewonde militairen geoefend

Het was nu het derde jaar op rij dat er ook civiele partners meededen, zoals het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) en het ministerie van VWS. Zij krijgen bovendien elk jaar een grotere rol in de oefening. Ik merk dat de samenwerking daardoor verbetert. Ook op departementaal niveau wordt met steeds meer deelnemers geoefend om voorbereid te zijn op crisissituaties. De tweejaarlijkse Crisis Management Exercise (CMX) van de NAVO en de Parallel and Coordinated Exercise (PACE) van de EU zijn hier voorbeelden van. ”

Wat was jouw algemene beeld na de oefening in maart?
“Dat we al ver zijn in de voorbereiding op een militair conflict. We hebben tijdens deze oefening bijvoorbeeld het LCPS ingezet voor de spreiding van de patiënten. We zagen dat dat goed werkte. Natuurlijk komen er tijdens zo’n oefening ook leerpunten aan het licht, met name over de aansluiting tussen Defensie en de civiele partners. Bijvoorbeeld: op welke locaties vindt de overdracht van patiënten plaats? En hoe kan zo’n locatie het beste ingericht worden? We agenderen deze actiepunten en zorgen ervoor dat partners hiermee aan de slag gaan. Zo hebben we een gesloten plan-do-check-act-cyclus.”

Hoe vind je dat we er in grote lijnen voorstaan?
“Het valt mij op dat we in grote lijnen een goed systeem hebben staan. Het mooie aan het LCPS bijvoorbeeld is dat dit door militairen tijdens de COVID-crisis is opgezet. Nu wordt het ook gebruikt in de plannen voor het spreiden van militaire gewonden. Dit is een prachtig voorbeeld van wederkerige civiel-militaire samenwerking. Natuurlijk is er de komende jaren meer nodig om de medische zorg tijdens een militair conflict zo soepel mogelijk te laten verlopen. Er moeten nog veel rimpels strakgetrokken worden. Maar ik zie ook dat er goede stappen gezet worden om dit steeds concreter te maken.

Ik vind het daarbij mooi om te zien dat zorgpartners op verschillende niveaus tegelijkertijd met dit onderwerp bezig zijn. Bij Defensie noemen we dat ‘parallel plannen’. Landelijke en regionale zorgketens wachten niet op elkaar. Ze kijken zelf wat dit vraagstuk voor hen betekent en hoe zij ervoor kunnen zorgen dat zij ook tijdens een militair conflict de best mogelijke zorg kunnen leveren.

Indirect is dat natuurlijk ook waar je als militair voor vecht. Je zet je in aan het front, omdat je wil dat het thuisfront het goed heeft. Daarom is ook die opschaalbaarheid van de zorg zo belangrijk. Tijdens een militair conflict kunnen we te maken krijgen met een extreme zorglast. Partijen moeten dan ingrijpen om de vraag aan te kunnen. Er is een hele waaier aan instrumenten die je dan kunt inzetten. Je moet goed begrijpen wat er nodig is om daar de juiste keuzes in te maken. Iedereen heeft daar een eigen rol in. Zelf kun je bijvoorbeeld bijdragen door gezond te leven, een EHBO-cursus te volgen en door te weten wie in je buurt hulpbehoevend zijn. Zo bouwen we samen aan weerbare zorg, en aan een weerbare samenleving in het algemeen.”

03 juni 2026